Over mij >> Stukjes >> Lezing: Vrouwenkiesrecht 1919

Lezing: Vrouwenkiesrecht 1919

‘Kregen’ vrouwen kiesrecht in 1919? Met die vraag begon prof. dr. Monique Leyenaar in de Drukkerij in Middelburg haar lezing over de strijd om het vrouwenkiesrecht. Het was de vooravond van Internationale Vrouwendag 2019 en Leyenaar is co-auteur van het boek ‘De hoogste tijd’.

Bekende namen in die strijd: Aletta Jacobs, Wilhelmina Drucker. In die tijd werden ‘vrouwen weliswaar als mensen  beschouwd, maar niet als burgers’, aldus Leyenaar. Zij zouden immers niet de wapenen opnemen mocht het land verdedigd moeten worden. En hadden zij een eigen inkomen, betaalden ze belasting? Het was de tijd van het censuskiesrecht: alleen vermogenden die belasting betaalden, hadden kiesrecht. Het was vanzelfsprekend dat dat alleen voor mannen gold. De tijd was niet rijp voor verdere uitbreiding van het kiesrecht. Voor de SDAP en de progressief liberalen had kiesrecht voor álle volwassen mannen prioriteit. Voor de confessionele partijen was het klip en klaar: de plaats van de vrouw is thuis, bij de kinderen. Niet in de politiek.

WOI bracht de discussie in een stroomversnelling. Nederland was neutraal maar ervoer wel hinder van de oorlog. Het volk was arm. De overheid wilde af van al te lang slepende politieke kwesties zoals het kiesrecht. Onderhandelingen hierover in 1917 leidden tot de realisering van het algemeen kiesrecht voor mannen en passief kiesrecht voor mannen én vrouwen. Het leek het hoogst haalbare. Wel werd het woord ‘mannelijk’ (‘….mannelijke ingezetenen…’) geschrapt, wat de weg vrijmaakte voor uitbreiding van het kiesrecht voor vrouwen. Al binnen twee jaar gingen de confessionelen over op een pragmatische koers: vrouwen zijn vaak religieuzer en zullen dus ook zo stemmen. In september 1919 werd aldus het algemeen kiesrecht voor vrouwen een feit.

Over de vraag of vrouwen wezenlijk anders stemmen dan mannen, is moeilijk iets te zeggen. ‘We hadden geen roze en blauwe stemkaarten, nu niet en toen ook niet’, gaf Leyenaar aan. Wel was inderdaad het aantal stemmen op de confessionele partijen relatief groot bij de volgende verkiezingen in 1922.

De discussie na de pauze ging over een quotum voor vrouwen in topposities en in de politiek ja of nee en over het verschil in motivatie tussen mannen en vrouwen om de politiek in te gaan. Voor mannen is de politieke positie vaak ook een belangrijke factor, meer dan voor vrouwen. Hen gaat het vooral om de inhoud, de resultaten die ze willen boeken. Uit onderzoek onder lokale politici blijkt dat vrouwen juist daarin vaak teleurgesteld zijn. Na één raadstermijn verlaten ze dan de politiek. ‘Zo wordt het aandeel vrouwen dus niet cumulatief en haal je de achterstand nooit in’, concludeert Leyenaar nuchter.

Gezien het aantal mannen op verkiesbare plaatsen bestaat de kans dat sommige Colleges van Provinciale Staten na de verkiezingen van 20 maart volledig uit mannen zullen bestaan, merkt een van de aanwezigen op. Dan is de andere blik, de andere levenssfeer (van vrouwen dus) niet vertegenwoordigd. Een (tijdelijk) quotum dan toch maar? Leyenaar en haar publiek lijken daar wel voor te willen gaan. In die stemming beëindigt de auteur haar lezing.

‘De hoogste tijd’, door: Monique Leyenaar, Jantine Oldersma, Kees Niemöller
Uitgeverij: Athenaeum
, 2019

Terug