Mijn vader en ik – Jaarmarkt

2011

Vandaag is de Kapelse dag. Van oudsher een jaarmarkt zoals zo veel dorpen die kennen, met een kermis en wedstrijden in het typisch Zeeuwse ringsteken. In de kraampjes die in het centrum van het dorp zijn opgebouwd, verkopen niet alleen de lokale winkeliers hun spullen, maar ook standhouders die een zomer lang op dit soort jaar- en toeristenmarkten staan.

We besluiten met vader naar deze dag te gaan, onder andere om het ringsteken te bekijken. Vader heeft de pre-tractortijd nog meegemaakt. Als jongen hielp hij mee op de boerderij van zijn vader en bewerkte met behulp van echte paardenkrachten het land. Je paard was je vriend maar ook je vijand, zei hij altijd. Een paard kon onverwacht naar achteren schoppen bijvoorbeeld, of schrikken en op hol slaan. Overigens zei vader dat later ook van de auto. Mijn vader is een voorzichtig mens, die gauw gevaar ziet. Als we in de winterperiode zeiden dat we hem in het weekend wilden bezoeken, was het steevast: mooi, maar niet doen als het ijzelt hoor, of sneeuwt, of vriest. Nee pa, we zijn voorzichtig.

We halen hem op uit de Cederhof en duwen hem in zijn rolstoel naar het centrum. Eerst naar de plek waar het ringsteken plaatsvindt. Het kost enige moeite om hem met de rolstoel een plekje te geven vanwaar hij het goed kan zien. Maar het lukt en hij lijkt het leuk te vinden, hoewel hij er niet zoveel over zegt. We gaan verder, eten een oliebol en later een bakje kibbeling – vindt ‘ie heerlijk, vroeger mocht hij graag af en toe een lekkerbekje verschansen.

Vader is dus geen Zeeuw, hij woont hier nu ruim een half jaar maar het leuke is, dat verschillende mensen hem desondanks groeten. Dag meneer Breemhaar, en een hand wordt op zijn schouder gelegd. Het zijn vrijwilligsters en medewerkers van de Cederhof die hem herkennen. Leuk is dat. Mij overkomt dat nauwelijks… Zijn aanwezigheid bevordert mijn integratie zou ik bijna zeggen. Zo wist hij na ongeveer twee maanden al te vertellen dat mijn buurvrouw in de Cederhof werkt. Die zou mij kennen, ja hoor. Schuin tegenover mij woont ze. O…?

Dan komen we bij een stuntfietser die mensen uit het publiek uitnodigt op de grond te gaan liggen. Hij zal met zijn fiets over hen heen springen. Mijn dochter (14) biedt zich aan. Naast twee anderen gaat ze liggen. En ja hoor, hij springt feilloos over hen heen. Hij zou het ook niet moeten wagen mis te springen, gaat het door mij heen.

En pa, twee dagen later als ik weer bij hem ben: ik vond het maar zunig vertrouwd dat Kaja daar zo maar ging liggen… Tja pa, dat dacht ik eigenlijk ook. Maar dat zeg ik hem niet.