Mijn vader en ik – Op stap

De Cederhof organiseert een uitstapje. Een zoon van een van de bewoonsters heeft een geldbedrag geschonken waar het verzorgingshuis naar eigen inzicht iets leuks mee kan doen voor de bewoners. Een ontzettend aardig gebaar. Het wordt een dagje uit naar de Meerkoet, een restaurant aan het Veerse Meer, voor koffie en een lunch. Het is maart, een vroege voorjaarsdag.

Mijn vader heeft niet heel veel zin in het uitstapje. Typisch pa. Van hem hoeven dat soort dingen allemaal niet zo. Maar ik stimuleer hem wel mee te gaan, ziet hij ook iets van de omgeving. En hij gaat, natuurlijk. Ik zeg dat ik ’s middags ook wel even kom, is misschien prettig voor hem. Rolstoeltaxi’s zijn geregeld, de mensen die zelf nog goed ter been zijn, rijden mee met verzorgsters en vrijwilligers. Als ik aankom, zijn de taxi’s net gearriveerd. Vier mensen per taxi, mijn vader is in zijn taxi als eerste naar binnen gereden en kan er dus pas als laatste uit. Bij de derde mevrouw zijn er problemen: de chauffeur krijgt de veiligheids-borgingen niet los. Moet weer net bij haar gebeuren, zegt een vrijwilligster zachtjes tegen mij, zij is altijd zo snel mopperig. En inderdaad, mevrouw ondergaat het bepaald niet lijdzaam. Mijn vader moet dus ook wachten maar hij houdt zich rustig. Niets aan te doen immers?

De rit ernaartoe was leuk, zegt mijn vader. Expres is de ‘toeristische route’ gereden zodat de passagiers wat meer van de omgeving konden zien. Mijn vader heeft gezellig gesproken met de chauffeur – ook al een vrijwilliger. (Geweldig dat zoveel mensen dit soort werk pro deo doen, er gaat een wereld voor mij open.) Bij de koffie schuift hij bij ons aan. Hij komt uit Noord-Beveland en dat is het gebied van Zeeland dat het meest lijkt op de polder. Er is al heel wat over en weer uitgewisseld tussen die twee. Altijd weer ben ik verbaasd over het gemak waarmee mijn vader contact legt met mensen en altijd wel iets weet te vinden wat wederzijds herkenbaar is. Hij is belangstellend naar de ander en vertelt ook makkelijk over zichzelf. Soms denk ik er het mijne van, dat is waar, maar hij doet het toch maar. Ik heb dat veel minder. Mijn moeder had het ook, anders, zij wist contacten vooral te bestendigen en te verdiepen, maar beiden wisten mensen om zich heen te verzamelen. Dat blijkt mij nu ook weer als ik hun fotoalbums doorblader.

Ik stel voor nog even naar buiten te gaan en nog een stukje met vader te wandelen. Hij vindt het goed en we gaan. Maar ja, het terrein leent zich niet voor een leuk kort rondje. Voordat we bij een aardig bospad zijn, is mijn vader het alweer zat: Nou, nu maar weer terug, te hobbelig, te koud en waar wil je nou heen. Oke, we gaan terug. Mopperig is hij soms ook.

Er komt een mevrouw op mij af, hartelijk begroet ze mij en vertelt wie ze is: de buurvrouw schuin tegenover mij. Ze werkt als vrijwilligster bij de Cederhof en ja hoor, ze kent mijn vader!